1.
Het is zover. Je staat aan de vooravond van je vertrek naar Lombardije in Italië. Hoeveel weet je van je bestemming?
A. Veel. Ik heb enkele boeken en brochures doorgenomen, leerde enkele basiswoordjes Italiaans en sprak met andere reizigers over hun reis.
B. Een beetje. Ik heb een reisgids gekocht of geleend bij de bib. Hem lezen doe ik ter plekke.
C. Niets. Ik ga voor de complete verassing. Ik zie ginds wel.
2.
Hoe reis je naar je bestemming?
A. Altijd met het vliegtuig. Ik heb geen tijd te verliezen en wil zo snel mogelijke ter plekke zijn.
B. Als ik verder reis dan 800 kilometer, neem ik het vliegtuig. In alle andere gevallen kies ik voor de trein, auto of de bus.
C. Ik neem altijd het openbaar vervoer. Dat is zeer rustig en bovendien erg milieuvriendelijk.
3.
Je trekt naar Spanje. Welke verblijfplaats trekt je het meest aan?
A. Ik zoek een hotel van een internationale keten. Hun bekendheid betekent ongetwijfeld kwaliteit.
Aanwezigheid van zwembad en sauna is een noodzaak.
B. Ik kies uitsluitend voor slaapplaatsen die aangeboden worden door de lokale bevolking.
Ik leer niet alleen meer over m'n bestemming, ik steun bovendien de regionale economie.
C. Een zwembad en sauna hoeven niet als de lokale bevolking in armoede leeft. Voorts kies ik zo goedkoop mogelijk
4.
Welke kledij draag jij op het strand in Egypte?
A. Ik blijf weg van het strand. Aan het zwembad van mijn hotel zit ik gekleed hoe ik wil. Ik stoor er dus niemand mee.
B. Zo min mogelijk, elk plekje moet kunnen bruinen.
C. Ik hou rekening met de gebruiken en culturele eigenheid van de plaatselijke bevolking.
5.
De vakantie loopt ten einde. Je moet nog snel souvenirs inkopen. Wat koop je?
A. Ik koop een souvenir van lokale vakmensen en zorg zo voor financiële ondersteuning van de regio.
B. Ik breng graag iets uitzonderlijks mee. Een brokje cultuur- of natuurpatrimonium. Alles wat in de toekomst dreigt te verdwijnen.
C. Ik koop in de plaatselijke winkeltjes wat ik mooi vind. Maakt niet uit of het ter plekke geproduceerd werd of niet.
6.
Foto's nemen is je hobby. Maar hoe doe je dat?
A. Als ik mensen fotografeer, vraag ik altijd toestemming.
B. Ik fotografeer wat of wie ik wil. De mensen mogen al blij zijn dat ik hun regio bezoek. Zonder mij zouden ze nog armer zijn.
C. Als iemand een opmerking maakt, zal ik dat respecteren. Zo niet, fotografeer ik wie of wat ik wil.
7.
Je bezoekt een natuurpark in Frankrijk. Hoe volgzaam ben je?
A. Het pad volgen is voor mietjes. Ik stap waar ik wil.
B. Ik blijf op het pad, maar als ik denk dat ik een binnenweg weet, zal ik het parcours toch afsnijden.
C. Ik volg altijd het wandelpad. Zo beschadig ik de fauna en flora rondom mij niet, verdwaal ik zeker niet en zie ik gegarandeerd
de mooiste plekjes.
8.
Van reizen krijg je honger. Wat kies je?
A. Ik zoek altijd naar onze lekkere westerse keuken. Ik kan m'n frietjes en biefstuk niet missen.
B. Ik proef elke dag lokale gerechten in een plaatselijk restaurantje. De Belgische keuken is lekker,
maar die eet ik wel wanneer ik terug thuis ben.
C. Ik eet wat ik op hotel voorgeschoteld krijg. Als ze daar typische lokale gerechten serveren is dat meegenomen,
maar ik ga er niet naar op zoek.
9.
Het is erg warm tijdens je reis in Portugal. Je krijgt te horen dat de bezochte regio kampt met drinkwatertekorten. Wat doe je?
A. Ik laat m'n bedlinnen en handdoeken niet meer dagelijks wassen. Meer kan ik niet doen.
B. Ik besluit erg zuinig om te springen met water. Ik gebruik water enkel nog om te drinken en me te wassen.
C. Ik heb betaald voor m'n vakantie en wil het maximum eruit halen. Ik bezuinig op niets.
10.
Tijdens je reis plan je enkele daguitstappen. Hoe reis je?
A. Ik neem consequent de trein, de bus, de fiets, de boot of ga te voet. Snel en goedkoop.
B. Maakt niet uit. De ene keer de auto, de andere keer het openbaar vervoer.
C. Ik neem altijd mijn auto. Dat geeft me absolute vrijheid en ik kan zo dicht mogelijk parkeren met de plek die ik wil bezoeken.
Wat is mijn score?